213 in de gelegenheid zouden worden gesteld, om met klem op te treden. Slechts werd hierbij de restrictie gemaakt, dat de maatregelen, die tegen de gevestigde bevolking noodig mochten blijken, aan de ver antwoordelijkheid van de betrokken ambtenaren zouden worden overgelaten. "VVij hebben het boven medegedeelde aan de verdere schetsing van den toestand, zooals deze zich onder het bestuur van een civiel amb tenaar ontwikkelde, doen voorafgaan, omdat wij van oordeel zijn, dat die ontwikkeling in de voornaamste plaats aan de opheffing der pa trouilleeringen op groote schaal is toe te schrijven. De drang der civiele autoriteit, om in een nauwelijks onderworpen land zich van de normale bestuursmiddelen te bedienen, was zeker hoogst betreurens waardig; indien de generaal Yan der Heijden al het dadelijk verzet had onderdrukt, de geest der bevolking was daarom nog niet plotseling ten goede gekeerd; de zucht tot verzet was nog blijven bestaan, en het was wel te verwachten dat zij zich weder zou ver- toonen, zoodra de middelen om haar te onderdrukken werden weg genomen. Zij heeft zich dan ook, hoe langer hoe meer, weder ver toond. Opnieuw is in het tijdperk, dat wij thans behandelen, ge bleken dat een normaal bestuur, dadelijk na de onderwerping van een vroeger onafhankelijk volk, geheel misplaatst isen dat de In dische Regeering van 1837, toen zij na den val van Bondjol het civiel en militair gezag op Sumatra's Westkust weder in eene hand vereenigde, beter het karakter der civiele ambtenaren en der inheem- sche bevolking beide doorgrondde dan die, welke in 1881 het hoogste gezag in Atjeh splitste. Toen de Generaal Van den Heijden, den be" April 1881, het bestuur overgaf, noemde hij den toestand, waarin Atjeh verkeerde, over 't algemeen gunstig. Dat dit geene eenzijdige beschouwing was. bleek uit de rapporten van zijn opvolger aan de Indische Regeering van 25 April en 10 Mei 1881. Daarin toch wordt gezegd, dat de toestand in Groot-Atjeh zeer bevredigend was te noemen, hoezeer de bevolking nog steeds in onrust werd gehouden door rondzwervende maraudeursbendendoch dat het geen twijfel leed, of deze benden

Tijdschriftenviewer Nederlands Militair Erfgoed

Indisch Militair Tijdschrift | 1886 | | pagina 224