234 - Hier verhouden de springhoogten op 500, 1000, 1500, 2000 en 2500 M. zich als 1: 21/3: 4: 6: 9. Deze verhoudingen groeien nog al sterk met het vermeerderen der afstanden. Bp het vaststellen der springhoogten dient men dus eenigszins naar het meerdere over te hellen, hetgeen in verband met de meer gestrekte baan gerust kan geschieden. Maakt men de schijnbare springhoogte 2.5, dan worden de wer kelijke springhoogten resp. 1.25; 2.50; 3.75; 5 en 6.25 M. Hierbij verkrijgt men dan de volgende verschillen in de intervallen op 500 M. -)- 19.4 M. op 1000 M. -f- 10 M. op 1500 M. o. op 2000 M. 4.5 M. op 2500 M. 11 M. Verschillen boven de 2500 M. worden buiten beschouwing gelaten, aangezien het G-.K.T. vuur op meer dan 2500 M. wel niet zal voorkomen. Om tot de intervallen, behoorende bij de voorgestelde spring hoogten te geraken, zoude men de normale T. slechts als volgt be- hooren te wijzingen bergkanon t/m. 500 M.]/4 boven 1500 M. -j- 1/i veldkanon t/m. 1000 M. 1/4 boven 2500 M. -f- J/4 Stelt men nu voor alle afstanden schijnbaar dezelfde springhoogte vast, dan vervalt het berekenen van de schijnbare hoogte van terrein- voorwerpen. Ook kan men gerust aannemen, dat men het na eenige oefening met seinkardoezen zoover zal brengen, dat men de gewenschte spring hoogte op het oog schat. Heeft men het echter niet zoo ver in die kunst gebracht of wil men niet op de schatting vertrouwen, dan behoeft men bij het zoeken der schijnbare springhoogte bij het bergkanon den opzet slechts 4°/oo en bij het veldkanon slechts 2.5°/00 te laten zakken. Het kan echter meermalen gebeuren, dat men over de richtlijn het doel niet kan zien. In dat geval heb ik wel eens een der

Tijdschriftenviewer Nederlands Militair Erfgoed

Indisch Militair Tijdschrift | 1893 | | pagina 237