446 sche en de Ned. Tndische legers zjjn kan, dunk', mij, niet logisch genoemd worden. Een andere band tusschen de beide legers zou voorts moeten gezocht worden in de wederzijdsche detacheeringen. Uit het verslag der lezing van den majoor Haver Droeze blijkt, dat sinds 1870 yoor tijdvakken van verschillenden duur van een tot vijf jaren in het geheel 413 officieren naar Indië gedetacheerd werden. Neem ik nu aan, dat er om er eens een slag in te slaan op dit oogenblik nog 250 infauterie-officieren in Nederland dienen, die korter of langer tijd in Indië hebben doorgebracht, dan komt men tot het besluit dat er gemiddeld bij elk der negen regimenten 28 heereu zijn, die met eenig recht over Indische toestanden kunnen medespreken. Zijn ook deze eenigszins gelijkmatig verdeeld, dan vindt men er bij elk bataljon 5 a 6 of bij elke compagnie 1, zoodat kan worden aangenomen dat er geen garnizoen zoo klein is, of er bestaat omtrent het Indische leger genoegzame voorlichting. Welnu, ik heb gedurende mijn verlof in Nederlaud in de verschil lende garnizoenssteden, waarin ik mij korter of langer tijd heb opge houden, te vergeefs naar eenig spoor gezocht van ook maar de meest elementaire bekendheid met Indië. Toen ik op een zekeren dag een kapitein met den meesten ernst hoorde vragen of wij, officieren onder elkander, Hollandsch dan wel Maleisch spraken en een ander met de meeste overtuiging over de Javanen hoorde oordeelen als over de iu den Fransch-Duitschen oorlog losgelaten Turco's, werd het mij toch wat te machtig en vroeg ik aan een der officieren van het bataljon, dien ik tijdens zijne detachee ring in Indië gekend had, waarom hij toch niet zorgde, dat zich bij de officieren van zijn korps gezondere denkbeelden omtrent het Kolo niale leger baanbraken. Och, was het antwoord, het kan niemand iets schelen hoe het in Indië toegaat, in den beginne toen ik nog vol was van mijne in Indië opgedane nieuwe denkbeelden en die wilde luchten, werd mij steeds eenigszins wrevelig verzocht om „als je blieft toch niet zoo op te snijden", werd mjj het „Qui vient de loin a beau mentir" in herinne ring gebracht en luisterde ten slotte geen sterveling naar mij.

Tijdschriftenviewer Nederlands Militair Erfgoed

Indisch Militair Tijdschrift | 1893 | | pagina 449