385 Welke adjudant van den B. C. wordt in §48 bedoeld? Moet de trompetter als zoodanig worden aangemerkt? Hij is dan or donnans, maar is in het algemeen genomen niet de geschiktste persoon om orders over te brengen. Beter komt het mij voor den C. G-. T. daarvoor te bestemmen. Den oudsten S. C. moet worden opgedragen tot een bepaald punt zoo snel mogelijk op te rukken, om daar nadere bevelen van den B. C. af te wachten. Aldaar aangekomen treft hij den C. G. T. aan of wacht diens komst af. Met behulp van diens aanwijzingen betreffende het te doorloopen terrein en de gesteldheid van de stelling brengt hij de batterij ter bestemder plaatse. 129 batterijschool moet, in ver band hiermede, dan ook in dien zin opgevat worden, dat de one ven stukscommandanten door den oudsten S. C. eerst vooruitgezon den worden als de C. G. T. bij de batterij is teruggekomen. Bedoel de stukscommandanten worden door den trompetter van den C. G. T. naar de stelling geleid. Het door den B. C. te geven teeken 57 gevechtsvoorschrift) moet daarom vervallen, het heeft in bovenaangeduiden gedachtengang geen reden van bestaan. Trou wens hoe is deze paragraaf in overeenstemming te brengen met de meer aangehaalde 129 batterijschool, waarin aangegeven is, dat de oneven stukscommandanten zich met den B. C. van de batterij verwijderen. Volgens deze paragraaf (129) rijden zij met den B. C. vooruit; waarom zou laatstgenoemde dan nog een tee ken geven om de stukscommandanten bij zich te laten komen? 48, 2e alinea, geldt in het algemeen niet voor eene veldbatterij, omdat de opmarsch gewoonlijk in draf plaats heeft i§ 51 gevechts voorschrift) en de pionierafdeeling niet op de voertuigen plaats neemt. Doen zich hindernissen voor bij den opmarsch, dan helpen de bedieningen der stukken of der overige voertuigen om de belet sels op te ruimen. 49 is niet in overeenstemming met 16, waarin staat dat de He afdeeling G. T. bij een frontmarsch aan den staart der hoofdmacht, vereenigd met den B. T., marcheert, terwijl 49 voorschrijft, dat soms (bij gescheiden opstelling der afdeelingen van den G. T.) een afstand van minstens 200 M. tusschen beide afdeelingen genomen moet worden bij den opmarsch. Of moet de He afdeeling G. T. bij de gevechtsbatterij aangetrokken wor den bij den opmarsch, waarbij dan soms een afstand van min stens 200 M. moet worden onderhouden? Dl. I 1904. 28

Tijdschriftenviewer Nederlands Militair Erfgoed

Indisch Militair Tijdschrift | 1904 | | pagina 399